Week Tegen… Juist, hier gaan we weer!

(Dit is een geüpdatete versie van een post uit mijn vorige blog. Omdat het nodig is. Omdat men het maar niet wil snappen. Omdat er niets verandert, niet voor de slachtoffers, nooit.)

De Week Tegen Pesten, dames en heren; ze zijn er daar weer mee! Ludieke campagne hier, liedje daar, move ginder, en morgen zelfs een heuse mars in Mechelen.

Ik kan me die laatste al levendig voor de geest halen, beste lezer: met zijn allen gezellig de straat op tegen pesten, de hele klas, ook de kinderen wier leven volgende week — of misschien overmorgen al — weer tot hel wordt gemaakt door hun medeleerlingen. Schijnheiligheid ten voeten uit.

Want maak u geen illusies: dit jaarlijks terugkerende circus helpt geen kat, en de pseudo-psychologische prietpraat die zelfverklaarde experts (lees: gewezen pesters?) over de hele problematiek in de media uitkramen doet dat zeker ook niet.

Steeds dezelfde adviezen, zeg maar gerust verwijten, dat slachtoffers assertiever moeten worden, weerbaarder. En socialer. En zich aanpassen. En met het alwetende PMS CLB gaan praten. Daar worden ze dan ‘begeleid’.

Juist: de gepesten moeten naar een psycholoog. Zij zijn immers het probleem.

Want de pesters straffen? Aansprakelijk stellen voor hun gedrag? Ho maar! Waar haalt u het? Hoe durft u zoiets suggereren, zelfs? Da’s absurd, taboe, gemene rechtse haatzaaierij, ab-so-luut not done!

Een paar jaar geleden is er door de één of andere naïeveling een ‘no blame methode’ bedacht. Geef niemand de schuld, letterlijk. Want tenslotte, pesten is niemands schuld. Iemand de duivel aandoen, een jeugd verpesten, in sommige gevallen een leven onherstelbaar beschadigen, dat is geen bewuste keuze. Dat gebeurt zomaar, louter toevallig. No one is to blame.

Bovendien, zo las ik ooit op mijn Twitter tijdlijn, zijn de pesters in feite de grootste slachtoffers van het verhaal. Ze kunnen naar het schijnt zelfs zware, levenslange trauma’s overhouden aan hun wangedrag.

Als dat werkelijk zo is, gun ik hen elke nachtmerrie, flashback en paniekaanval van ganser harte, maar eerlijk, beste Gutmensjes, ik heb zo mijn twijfels over die stelling, dus pak jullie viool maar weer in.

Soit.

Gelukkig weerklinkt er af en toe ook een verstandige stem in de chaos.

Dit artikel verscheen in februari 2017 in Knack. We lazen onder meer:

“… Om dan nog maar te zwijgen over het feit dat vele slachtoffers van pesterijen moeilijker relaties opbouwen en op de werkvloer niet de mensen zijn die ze intrinsiek hadden kunnen zijn. Omdat ze zich niet durven te ‘lanceren’. Omdat ze schrik hebben van anderen. Soms houdt het hen tegen om verder te studeren omdat ze bang zijn nog in groepen te zitten. Ik herhaal: de maatschappelijke kostprijs is hoog. Heel hoog.”

en:

“Kort door de bocht komt het erop neer dat het zaak is de pester alle wind uit de zeilen te nemen.”

Ik heb nog nooit zo luid “eindelijk” en “dank u” geroepen tegen mijn computerscherm.

Deze man had het duidelijk begrepen ruim een jaar geleden. Nu de rest nog.

En zodra ‘men’ het licht heeft gezien, kunnen we dan eindelijk ook wat daadkrachtige maatregelen invoeren? De daders aanpakken en niet telkens weer het slachtoffer viseren? Het slachtoffer, dat hier niet om gevraagd heeft en al dat emotioneel, psychologisch en vaak zelfs fysiek geweld in geen geval verdient?

Het wordt echt eens tijd, hoor, want door in plaats van het probleem aan te pakken bij de wortels een verkeersinfarct te veroorzaken in Mechelen zullen we er ook in de figuurlijke zin niet komen. Ook voor de huidige generatie gepeste jongelui niet.

Die Tijd Van Het Jaar

Een druilerige september dag, het moment om “The Sensual World” van Kate Bush nog eens op te zetten.

Hoewel ik nog steeds licht gemengde gevoelens heb over dit album — volgens mij waren de dames van het Trio Bulgarka en hun klaaglijk gekweel beter thuisgebleven — is het toch ook wel mijn ultieme herfstplaat, weemoedig en melancholisch; en “Never Be Mine” blijft één van de mooiste, meest emotionele songs die Kate ooit geschreven heeft.

Tijden veranderen?

Ooit geloofde ik nog in de idealen van links. Dat was voor hun mutualiteit mij als chronisch zieke een serieuze hak zette en dan, bij overstap naar een ander ziekenfonds, ook nog eens bleek dat men ons jarenlang had voorgelogen.

Voor de goede orde: iemand die niet werkt of studeert en ouder is dan 25 kan ingeschreven worden als resident. Die persoon valt niet in een vacuum, en moet er niet als de gesmeerde bliksem voor zorgen een job te vinden om “wettelijk in orde te zijn en niet in de problemen te komen met de sociale zekerheid.”

“Iedereen telt mee. Altijd.”

Behalve een meisje met CPTSS en CVS, blijkbaar. Ik kreeg (nog maar eens) de etiketjes ‘plantrekker’ en ‘aansteller’ opgeplakt. Een norse dame achter het loket blafte mijn vader zelfs toe: “Dat ze dan gaat werken, hé zeg!”

Bij mij is rood dus niet langer troef, eerder droef genre ‘huilen met de pet op’ en permanent gecancelled.

*

Ooit vertrouwde ik ook op de plannen van Groen. Tot ze onze gemeente mee mochten besturen, dan was ik al gauw een illusie armer.

Verschillende vuilnisbakken werden weggehaald, een ongebruikelijke strategie om het sluikstorten tegen te gaan.

Niemand was verbaasd toen net het tegenovergestelde gebeurde. Luttele weken later was het mooie park herleid tot vuilnisbelt. De gedumpte rotzooi slingerde gewoon overál.

Terzelfder tijd werd, onder impuls van een Groene schepen, het bos onherkenbaar verminkt. Alle uitheemse bomen gingen tegen de vlakte. Dat was nodig, beweerde men, want ze bedreigden de inheemse soorten.

Deze eco-praatjes boeiden mij niet. Het betrof gezonde bomen, in de lente, met nesten in. Tientallen ontheemde vogelfamilies waren blijkbaar niet meer dan ‘collateral damage’. Mijn bloed kookte; niet in mijn naam, niet met mijn stem, verdomme!

Ook moest iedereen plots de fiets op, of ze daar nu toe in staat waren of niet.

Mijn CVS zorgt ervoor dat mijn evenwicht en coördinatie in meerdere of mindere mate (afhankelijk van wat voor dag ik doormaak) niet meer in orde zijn. Ook zijn mijn reflexen vaak te traag en voel ik me snel onzeker en nerveus.

Fietsen is voor mij dus geen optie meer en hoe langer, hoe meer, begin ik mij als voetganger geviseerd en ongewenst te voelen. Niet alleen om de “Iedereen kan fietsen” retoriek die men ons, tussen de regels door, onvermoeibaar om de oren slaat, maar ook door de recente overdaad aan overmoedige fietsers op gedeelde fietspaden en zelfs voetpaden.

Deze cowboys op tweewielers houden met niets of niemand rekening, niet met hun medefietsers die wél de wegcode respecteren, niet met gemotoriseerde voertuigen die ergens voorrang hebben, en al helemaal niet met een toevallige voetganger.

Tussen de stellingen van de Stemcheck staat onder meer: “Strengere boetes voor fietsers die zich niet aan de regels houden.”

De Groene jongens (en meisjes) antwoordden hierop resoluut “neen” want “ze willen geen heksenjacht tegen fietsers”. Een beetje ironisch, als je het mij vraagt.

De enige jacht die ik zie, is het blijkbaar willen verjagen van alle weggebruikers die geen fietsers zijn; zelfs wandelaars moeten de switch maken naar een stalen ros, of dat leid ik toch af uit de recente wedstrijd voor mensen die zich te voet of per tweewieler naar de winkel begeven. De hoofdprijs is… een fiets!

Voeg daar dan nog de onrealistische partijstandpunten over wonen en energie aan toe alsook het steeds maar buigen voor een intolerante ideologie (ten koste van zowel vrouwen- en LGTBQ-rechten als het dierenwelzijn waar ze als Groene partij voor zouden moeten strijden) en het feit dat ze ab-so-luut geen kritiek kunnen verdragen, hoe constructief ook… Ik pas met verve.

Wie blijft er dan nog over? Hieronder vindt u wat stemcheck.standaard.be zegt:

Read it and weep? Zoiets ja.

Goede Bedoelingen Deel 10: De Anti-Climax en Het Einde.

26 april. Tijd voor een gesprek.

Op aanraden van Dirk Botte, de voorzitter van de oudervereniging die van de feiten op de hoogte was gesteld, gingen mijn ouders met Tildemans en Radts rond de tafel zitten. Op neutraal terrein, bij de heer Botte thuis.

Voor Tildemans bleek dit erg zenuwslopend; bij aankomst reed ze een paaltje omver.

Radts arriveerde meer dan een academisch kwartier te laat.

Hoogpaars aangelopen, met handen die beefden als die van een Parkinson-patiënt, stommelde hij de kamer in. Kettingrokend keek hij om zich heen. Zijn eerste woorden waren: “Waar is Emmy?”

Tildemans snoerde hem onmiddellijk de mond. “Je wist toch dat ze er vandaag niet bij zou zijn, Erik!”

“Waar is ze dan wel?” vroeg hij.

Niemand antwoordde.

Voor de goede orde: ik zat thuis op de sofa en probeerde mijn gedachten te verzetten door naar één van mijn favoriete films — “Who Framed Roger Rabbit?” — te kijken.

Ondertussen bij Dirk Botte, nam mijn vader het lijstje ter hand dat hij de avond tevoren had opgesteld.

Het eerste punt: wat had Radts gehoopt te bereiken met zijn intimiderende praktijken?

Radts verklaarde — nogmaals — dat zijn bedoelingen goed geweest waren. Hij wou mij helpen openbloeien, mijn reservaties wegnemen, ervoor zorgen dat ik ‘uit mijn schelp kroop’…

Mijn vader wees Radts er nog maar eens op dat hij zwaar zijn boekje te buiten was gegaan.

Papa vroeg Radts eveneens of er dat schooljaar nu eigenlijk al leerstof behandeld was in de lessen Nederlands en Duits; “Of bent u nog altijd psycholoogje aan het spelen?”

Tweede punt: waarom werd een leerlinge gestraft voor haar taalvaardigheid? Eerst werd de ‘hypocriet’ kwestie op tafel gegooid, dan de vele aantijgingen, ook vanwege andere leerkrachten, dat ik mijn opstellen niet zelf zou schrijven wegens ‘veel te goed’.

Radts wond zich op. “Dat van die hypocriet heb ik nóóit zo gezegd!”

Helaas…

De bewuste les stond integraal op cassette. Mijn ouders hadden de opname aandachtig beluisterd.

Wanneer mijn moeder hem met dat feit confronteerde trok Radts wit weg en zei niets meer.

Tildemans, daarentegen, liet wel van zich horen. “Ik kan me best voorstellen dat dat jouw exacte woorden waren, Erik! Jij staat bekend om zo’n uitspraken. Eigenlijk had je al lang in therapie gemoeten!”

Mijn vader was inmiddels bij punt drie aanbeland: de bowling-avond.

Tildemans waste haar handen in onschuld; niemand had haar daarover ingelicht, ze was pas na de feiten te weten gekomen dat die activiteit had plaatsgevonden.

Radts stak van wal met een nieuw betoog, of toch een lichtelijk gewijzigde variant op hetzelfde leeggemolken thema.

Hij had zo een hechtere band met zijn leerlingen willen creëren, opperde hij.

Dan gooide hij het over een andere boeg.

“Het is toch niet normaal dat een meisje van haar leeftijd altijd thuis zit! Heeft ze eigenlijk wel vrienden? Ik vermoed van niet. Het is enorm ongezond hoe zij als een kluizenaar leeft, heel asociaal ook!”

Daarop antwoordde mijn vader dat ik inmiddels de leeftijd van achttien jaar bereikt had en dus niet langer een meisje maar wel een jonge vrouw was en bovendien oud en wijs genoeg om zelf te bepalen hoe ik wilde leven — en met wie ik al dan niet ging bowlen.

Vervolgens drukte hij Radts nog maar eens met de neus op een simpel feit. “U bent opgeleid om les te geven, niet om met uw leerlingen aan therapie te doen.”

Papa wou dan punt vier aankaarten, maar het werd Tildemans allemaal teveel.

Plechtig beloofde ze dat als ik zou terugkomen, iedereen me met rust zou laten.

“We zouden allemaal toch zo graag hebben dat ze dit jaar haar diploma haalt.”

Zorgvuldig berekende ze hoeveel dagen ik nog effectief aanwezig zou moeten zijn op school om dat felbegeerde document in ontvangst te kunnen nemen.

Het voorstel dat ze mijn ouders deed was eenvoudig: als ik terugkwam, waren al mijn problemen van de baan. Men zou me rustig laten afstuderen, me geen strobreed in de weg leggen, ik moest gewoon terugkomen.

“Maar komt ze überhaupt wel terug?” wou Radts weten. “Waar zit ze nu toch eigenlijk?”

Zijn vragen bleven onbeantwoord.

Tussendoor gaf hij wel nog schoorvoetend toe dat hij Agnes Heytens en Mevrouw De Raef inderdaad had opgestookt; dat laatste tot grote ontsteltenis van Tildemans. Zij wist wederom nergens van, of liet dit toch zo uitschijnen.

Aan het einde van de avond werd besloten dat de school gefaald had, maar ze had dit wel met goede bedoelingen gedaan.

Een week later vond ik een kaartje van Tildemans in onze brievenbus. Het bevatte de dubbelzinnige woorden ‘Denk maar niet dat we je vergeten zijn’.

Mijn vader had er schoon genoeg van. Hij schreef een boze brief naar de inrichtende macht van de school, zuster Teugels.

Deze zuster zou ons een paar dagen later opbellen en een boodschap inspreken op het antwoordapparaat.

“Ik heb graag direct antwoord,” zo verklaarde ze, “en daarom zet ik het niet op het apparaat.”

Het was de eerste én de laatste keer dat we haar hoorden.

Het einde van het schooljaar naderde.

Als laatste poging stuurde mijn vader een aangetekend schrijven naar de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming.

Ook dat leverde niets op.

Niet dat één van ons nog echt in een oplossing geloofde.

De zaak verdween in de doofpot. Alles zou precies blijven zoals het was.

Ik keerde nooit meer naar school terug en behaalde mijn diploma hoger secundair onderwijs ook niet. Tot op heden heb ik er nog geen seconde spijt van gehad dat ik me niet door die schurken liet omkopen.

Alleen blijf ik het wel een beetje zielig vinden dat Trees Bourgeois het blijkbaar nodig achtte — zo zou ik later via via vernemen — om die dertigste juni met veel leedvermaak van de daken te schreeuwen dat ik een ‘C-Attest’ had en — Juich! Jubel! Waar is dat feestje? — mijn jaar zou moeten overdoen.

Anderzijds, van dat giftig wicht had ik zo’n reactie mogen verwachten.

Op de eerste dag van het daaropvolgende schooljaar mocht Radts zichzelf weer klastitularis van een zesde jaar noemen.

“Jullie zullen al wel horen zeggen hebben dat ik een moeilijk mens ben,” begon hij smalend. “Ik ga dat niet ontkennen. Er doen ook een heleboel wilde geruchten over mij de ronde. Zo zou ik vorig jaar zelfs een leerlinge hebben weggepest. Onzin, natuurlijk. Wat er met haar is gebeurd, heeft ze helemaal zelf gezocht. Als jullie braaf meewerken, zullen we de beste vrienden worden. Zeg ‘ns een keer, welke sterrentekens hebben jullie zo allemaal?”

*

Er is me ooit gesuggereerd om “Goede Bedoelingen” in boekformaat te gieten, beschikbaar te maken als een download bijvoorbeeld, maar behalve het feit dat ik gruwel van aandacht, betwijfel ik sterk dat zoiets veel lezers zou kunnen bekoren.

Mijn verhaal bevat immers geen helden. Het kent evenmin een happy end.

Ik wou dat ik u kon vertellen dat de schuldigen uiteindelijk gestraft werden en dat alles weer goed kwam met mij, maar niets is minder waar.

Radts en Tildemans alsook mijn voormalig huisarts genieten dezer dagen met een ongeschonden reputatie van een mooi pensioen terwijl Sus Lomens binnen zijn domein een succesvolle loopbaan wist op te bouwen; hij heeft het zelfs ergens tot directeur geschopt.

Voor de leeftijdsgenoten die het leeuwendeel van mijn jeugd tot een absolute hel hebben gemaakt, waren er evenmin negatieve consequenties. Zij fladderden na hun zesde middelbaar vrolijk verder naar een hogere opleiding, een carrière, een leven

Wat mezelf betreft:

Na meer dan een jaar intensieve therapie zonder opname genas ik van mijn depressie, maar het trauma bleef — ‘een psychiatrisch letsel’ noemt men zoiets in de wandelgangen.

Zelfs vandaag nog ben ik bang van sociaal contact, van mensen.

Op één uitzondering — mijn huidige huisarts — na, heb ik geen greintje vertrouwen meer in dokters. Ik voel me ook niet op mijn gemak bij hen. Onderzoeken die niet strikt noodzakelijk zijn of door mij als te intiem van aard worden ervaren (ik denk hierbij bijvoorbeeld aan sommige preventieve kankerscreenings), daar pas ik categoriek voor.

De pest-telefoontjes behoren inmiddels al lang tot het verleden; wie daar ook voor verantwoordelijk was (neen, de schuldige is helaas nooit gevonden), die is er ergens in wat ik maar ‘het najaar van mijn depressie’ zal noemen plots mee opgehouden.

Ik beschik ook al een eeuwigheid over een privé-nummer.

Desalniettemin bekruipt me nog steeds dat akelige paniekgevoel wanneer de telefoon gaat.

Bellen met mensen die ik niet héél goed ken doe ik nooit. De idee alleen al bezorgt me koude rillingen. Wie me wil bereiken, stuurt maar een e-mailtje.

Nieuwsberichten, opiniestukken, getuigenissen, preventiecampagnes, alles wat er omtrent ‘pesten op school’ in de media komt jaagt me meteen de gordijnen in.

Ik word woest, wanhopig, intens droevig en het liefst van al wil ik dan zo snel ik kan wegrennen, me voor iedereen verstoppen en nooit meer tevoorschijn komen.

Dat geldt in tienvoud wanneer er de gebruikelijke onzin over assertiviteitstraining voor de gepesten wordt gespuid.

Geloof me, tegen die meer-dan-veertig-koppige meute, waaronder een vertrouwensarts en andere volwassenen in een machtspositie, had ik in mijn ééntje niets kunnen beginnen, en het is op zijn zachtst gezegd zwaar affrontelijk en ook wel flink frustrerend om als slachtoffer telkens opnieuw te horen te krijgen dat je alles had kunnen stoppen of zelfs voorkomen, alsof alle verantwoordelijkheid voor wat je werd aangedaan eigenlijk bij jezelf ligt; dat knaagt.

Al bijna even erg, trouwens, zijn de zachte eitjes van de moderne opvoedingscultuur die beweren dat pesters in feite zelf slachtoffers zijn die in de eerste plaats begrip, positieve aandacht en vergiffenis nodig hebben en zeker geen straf. Deze zelfverklaarde experten mogen wat mij betreft even teruggaan in de tijd en daar met mij ruilen.

Tenslotte heeft die hele kwestie me ook een flinke dégout opgeleverd voor georganiseerde religie in het algemeen en de Katholieke Kerk in het bijzonder. Inmiddels heb ik me ook laten ‘ontdopen’.

Wanneer ik mijn depressie overwonnen had was het aanvankelijk de bedoeling om via thuisstudie en de Examencommissie alsnog mijn middelbaar diploma te behalen.

Het terugzien van die leerstof maakte me echter vreselijk nerveus. Bovendien bleek dat de meeste examens mondeling moesten afgelegd worden; voor een jury, zelfs. Dat zag ik met mijn heftige mensenangst helemaal niet zitten. Ik had daar hoogstwaarschijnlijk niet eens mijn mond durven opendoen.

Nieuwsgierigheid en een sterke interesse voor computers leidden me naar het internet.

Met behulp van wat boeken leerde ik HTML en CGI.

Een paar maanden later ging ik een dik jaar lang aan de slag als freelancer. Ik schreef artikels, voornamelijk over computer-technische onderwerpen en popmuziek, en bouwde websites.

Daarna heb ik zo’n vijf jaar geprobeerd om voltijds te functioneren op een werkplek, of toch vijf opéénvolgende werkplekken.

Ik ga niet in detail treden over hoe of waarom elke poging mislukte, dat zou ons te ver drijven, maar in een notendop: hoe graag ik het werk zelf ook deed — en dat was énorm graag; websites maken was mijn hele leven toen — uiteindelijk kon ik nooit aarden in de groep mensen bij wie ik beland was.

Er was altijd wel iets of iemand waardoor mijn fragiele mentale balans ging wankelen en ik een andere baan moest zoeken, ofwel op eigen initiatief of omdat ik de laan was uitgestuurd.

Bij job nummer vijf liep het tenslotte helemaal fout.

Mijn vergadering met een aanzienlijk oudere mannelijke collega zou over het design van mijn database gaan; ik had inmiddels al aardig wat programmeertalen onder de knie en maakte behalve websites ook online applicaties.

In de plaats daarvan kreeg ik echter te horen dat ik eigenlijk wel een mooie vrouw was. De wellustige blik die bij die woorden hoorde vervulde me met angst en afschuw.

Plots was ik weer dat hulpeloze, onmondige meisje van dertien en voor mij zat de ranzige oude viezerik die toen mijn huisarts was.

De cirkel was rond.

Een paar weken later stortte ik opnieuw in.

De steeds erger wordende lichamelijke klachten waarmee ik toen al een hele tijd worstelde waren daarvan de hoofdoorzaak; ik zou later ook de diagnoses CVS/ME en fibromyalgie krijgen.

Maar toch…

De manier waarop ik, net zoals in mijn middelbareschooltijd, elke dag in doodsangst doorbracht was zeker ook niet goed voor mijn gezondheid.

En dan kwam de hardnekkige virale infectie.

Mijn vijfde fulltime job was tevens mijn laatste.

Nu vul ik, in hoeverre mijn gezondheid dit toelaat, mijn dagen met muziek, schrijven, lezen, computers en katten.

In de ‘echte wereld’ mijd ik waar ik kan elk menselijk contact; de enige uitzonderingen daar zijn mijn vriend en mijn naaste familie.

Mijn hernieuwd kluizenaarschap, om het zo te stellen, was een bewuste, weldoordachte keuze.

De ervaring heeft me geleerd dat deze manier van leven echt wel de beste voor me is, waarschijnlijk de enige waarvan ik niet zieker word, waarbij ik een soort evenwicht kan vinden.

Meestal toch…

Er zullen altijd wel dagen blijven waar ik na een nare droom badend in koud zweet wakker word, alle spiegels wil stukslaan en weer even geloof dat zonder mij de wereld inderdaad goed zou zijn.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

Goede Bedoelingen Deel 9: De Crash.

Ik had de voordeur amper achter me dichtgetrokken voor ik instortte.

Ik belde mijn vader op zijn werk. Hij repte zich huiswaarts. Eerst contacteerde hij wel nog de dokter; die zou ’s avonds langskomen.

Dat deed hij inderdaad, zij het met overduidelijke tegenzin. Hij had het inlevingsvermogen van een uitgeholde baksteen; hij weigerde me te helpen.

“Stel je zo niet aan!” sneerde hij. “We weten allemaal dat dit gewoon jouw zoveelste poging is om anders te doen dan de anderen. Je kruipt graag in een slachtofferrol. Je wil van iedereen aandacht en medelijden krijgen. Word nu toch eindelijk eens volwassen!”

“Waarom zou het trouwens niet leuk kunnen zijn op die bezinning?” vervolgde hij nijdig. “Ik heb met Tildemans gepraat. Radts zal je heus niet meer lastig vallen. Wees vriendelijk tegen hem, veeg wat stroop aan zijn baard. Hij zal je wel met rust laten! Waarom moet jij toch altijd zo melodramatisch doen? Ik sta hier kostbare tijd te verspillen. Ik kan jou niet meer helpen, hoor! Ik heb de directie beloofd geen briefjes meer te schrijven. Dat was de afspraak. Het enige dat ik voor jou kan doen, is je laten opnemen in de psychiatrie. Word je liever opgesloten in het gekkenhuis dan mee op bezinning te gaan? Is dat een optie? Wat denk je?”

Ik begon te huilen, maar hij ratelde onverstoorbaar verder.

“Beschouw die bezinning gewoon als een uitstap. Probeer je gedachten te verzetten. Wat jij nodig hebt, is een goed lief. Ben jij ooit al verliefd geweest? Op wat voor mannen val jij zoal? Er zullen wel veel jongens met jou willen. Als ik wat jonger zou zijn… Nee, ik schrijf geen briefje voor die bezinning. Jij zit duidelijk met jezelf in de knoop. Misschien kun je eens met mijn vrouw praten? Zij helpt jonge mensen graag zichzelf terug te vinden. En ik zorg dat je dinsdag een afspraak hebt met Dokter De Haes, een psychiater. Maar morgen ga je gewoon terug naar school en je gaat braaf dat strookje afgeven aan de zuster. En je neemt mooi deel aan die bezinning. Het moet maar eens gaan gedaan zijn met al die komedie!”

Mijn ouders zaten erbij en keken ernaar.

Ik zweefde ergens tussen woede en wanhoop, maar bovenal voelde ik mij verslagen. Verraden. En leeg. Diep in mij was er iets geknakt.

Mijn vader liet de huisarts uit. “We hadden natuurlijk ook onder uw pluimen kunnen schieten en er een andere dokter bijhalen,” hoorde ik hem zeggen.

De huisarts hoonlachte. “Alsof dat enig verschil zou maken. Wie neemt zo’n hysterisch, neurotisch kind nu au sérieux?”

Het antwoord op die vraag zouden we vier dagen later krijgen, tijdens mijn eerste sessie bij De Haes.

Maar zo ver waren we nog niet.

Mijn laatste hoop vestigde ik op mijn nonkel, dezelfde nonkel die me had geholpen te slagen voor Latijn. Hij was zelf leraar; hij kende de regels veel beter dan mijn ouders of ikzelf.

Die avond belde ik hem op. Met erg veel moeite en nog meer tranen lukte het me toch om mijn verhaal te doen.

Eerst en vooral verzekerde hij me dat men een leerling er onmogelijk toe kon verplichten deel te nemen aan een bezinning; binnen het kader van de onderwijswetgeving had die schooldirectie geen been om op te staan.

Hij vertelde me ook dat een gedwongen opname in de psychiatrie enkel gebeurde wanneer een patiënt een gevaar betekende voor anderen of voor zichzelf, wat bij mij dus geenszins het geval was. Hij begreep niet wat mijn huisarts bezielde om me zo de stuipen op het lijf te jagen.

Tenslotte raadde mijn nonkel me aan gewoon thuis te blijven. Wanneer ik met de psychiater ging praten, zou die me wel een afwezigheidsattest met terugwerkende kracht schrijven zodat ik met alles in regel bleef.

En zo gebeurde.

Na mijn vreselijke ervaringen met Sus Lomens verwachtte ik niet veel goeds van De Haes. Ik had geen vertrouwen meer in psychologen of psychiaters. Ik ging uitsluitend naar die afspraak omdat ik simpelweg geen andere keuze had.

Met gebogen hoofd beefde ik in mijn stoel. Links van mij zat mijn moeder, rechts mijn vader. Ik hoorde hen het hele relaas doen.

Papa hield het bij de feiten: zijn dochter werd gepest, eerst jarenlang door leerlingen — met daarbij ook bedenkelijke interventies van een PMS-afgevaardigde — en nu eveneens door een leraar. Een ‘verplicht vrijblijvend’ bowling-avontuur passeerde de revue. Radts’ geschimp werd vermeld, alsook zijn talrijke dreigementen.

Mijn moeder was vooral boos. Hoe had dat allemaal kunnen gebeuren? Wat hadden die smeerlappen haar dochter aangedaan? Zoiets kon toch niet?

Daarna was ik zelf aan de beurt.

Ik twijfelde er geen seconde aan dat mijn huisarts De Haes een niet al te fraai beeld van mij had opgehangen. Ongetwijfeld was ik omschreven als neurotisch, rotverwend, tegendraads, eigenzinning… En asociaal — uiteraard, mijn meest definiërende eigenschap, laten we die vooral niet vergeten.

De Haes luisterde aandachtig naar wat ik vertelde. Aan het einde van het gesprek zei hij dat ik de symptomen vertoonde van een zware depressie. Hij vermoedde ook angststoornissen.

Hij gaf me een uitgebreide psychologische test mee.

Van terug naar school gaan kon voorlopig geen sprake zijn, en zoals mijn nonkel had voorspeld werd er over een opname in een psychiatrisch ziekenhuis met geen woord gerept.

De weken die volgden waren op zijn minst tumultueus te noemen.

Ik bracht mijn dagen door met muziek beluisteren, TV kijken (voornamelijk soaps, MTV en Twin Peaks), boeken en tijdschriften lezen en wenen, ongelooflijk veel wenen.

Ik nam ook meerdere keren per dag een bad. Ik voelde me vuil — bezoedeld — en dat leek maar niet te willen overgaan.

Sommige dagen deed ik ook helemaal niets. Minuten-, misschien zelfs urenlang, stond ik door het glas van de achterdeur naar het witte sneeuwtapijt en de vallende vlokjes te staren.

Het bleef maar sneeuwen die winter.

Thuis rinkelde de telefoon onophoudelijk. Ik had het advies gekregen om vooral geen gehoor te geven. Dat deed ik dan ook niet. Maar tijdens de tweede week liep het zodanig de spuigaten uit dat ik overdag naar mijn grootouders vluchtte.

Tildemans en Radts wisten met hun ergernis geen blijf toen ze merkten hoe goed ik werd afgeschermd. Uiteindelijk belde Tildemans dan maar naar mijn toenmalig huisarts, die op zijn beurt De Haes contacteerde.

Laatstgenoemde weigerde echter enige informatie te verstrekken. Ik had hem bij ons eerste gesprek immers toevertrouwd dat ik me niet langer comfortabel voelde bij die dokter, dat hij me niet hielp maar me telkens weer verwijten maakte, me zelfs uitschold (wat mijn ouders ook volmondig beaamden) en dat ik weldra op zoek zou gaan naar een andere huisarts.

Toen De Haes de resultaten van mijn psychologische test onder ogen kreeg, zag hij dat er wel degelijk één en ander grondig mis was, zelfs meer dan hij aanvankelijk vermoedde.

Zijn eerste diagnose was een zware depressie met paniekstoornissen. Achteraf zou daar nog complex post-traumatisch stress syndroom aan toegevoegd worden.

Een week later vond ons tweede gesprek plaats, zonder mijn ouders dit keer.

Ik voelde me al wat meer op mijn gemak en praatte voluit over mijn medeleerlingen en over Radts, Tildemans, Lomens…

Voorlopig kon ik nog niet terug naar school. Daar was De Haes zeker van. Iemand in mijn toestand zo’n wespennest insturen zou niet verstandig zijn. Hij achtte hij het wel nuttig om zelf eens een hartig woordje te wisselen met de heer Radts.

De Haes gaf me een nota mee. Mijn vader zou die ’s anderendaags afgeven op het secretariaat van de school.

Wat er exact gezegd werd in die conversatie tussen Radts en De Haes heb ik nooit geweten. Uit wat mijn psychiater me er achteraf over vertelde, begreep ik wel dat het een behoorlijk geanimeerd en vooral leerrijk onderhoud moet geweest zijn.

Radts had zijn uiterste best gedaan om zich te profileren als de toegewijde, bezorgde leraar die met de allerbeste bedoelingen gepoogd had om een timide, asociaal meisje te integreren in een klasgroep. Hij had haar willen doen openbloeien — “uit haar tent lokken” — maar zij had de hele tijd dwarsgelegen. Wat hij ook probeerde, hij stootte op koppigheid en verzet. Ze wou simpelweg niet geholpen worden.

De Haes zou Radts dan geconfronteerd hebben met een paar van zijn grensoverschrijdende citaten en hem de vraag gesteld of hij wel over de juiste kwalificaties beschikte om met zijn klas aan groepstherapie te doen, of het niet eerder zijn taak was om die jonge mensen het Duits en het Nederlands te onderwijzen.

Hij zou er ook nog aan toegevoegd hebben dat hij het ten zeerste op prijs zou stellen dat zodra zijn patiënte weer in staat was om de school te bezoeken, ze daar van Radts enkel leerstof te verwerken zou krijgen, geen scheldpartijen, intimidatie of pseudo-psychologische onzin.

Een ongebruikelijk bedeesde Radts beloofde plechtig zich voortaan te zullen gedragen.

De Haes geloofde er niets van; of om het in zijn eigen woorden te zeggen: “Praatjes vullen geen gaatjes.”

Na de krokusvakantie zat ik nog steeds ziek thuis. In alle stilte vierde ik mijn achttiende verjaardag, in hoeverre er tenminste iets te vieren viel.

Radts, ondertussen, werd ongeduldig. Hij besloot een offensief te beginnen.

Het eerste wapen dat hij inzette was Agnes Heytens. Na een les Nederlands hield hij haar staande. Zij was al sinds het eerste middelbaar mijn klasgenote. Misschien kon zij me overhalen om terug naar school te komen?

Mijn afwezigheid en alle geruchten daaromtrent begonnen immers een negatieve weerslag te hebben op Radts’ reputatie. Hij hoopte het ooit tot directeur van die school te schoppen, maar met een schandaal boven zijn hoofd zou hij daar natuurlijk nooit in slagen.

Dus benaderde hij Agnes. Hij wist dat ze hem zo’n dienst onmogelijk zou kunnen weigeren. Tenslotte was hij al jarenlang goed bevriend met haar vader.

Agnes stemde inderdaad in.

Op een zaterdagnamiddag belde ze me op. Aanvankelijk had ik mijn twijfels of ik dat gesprek wel zou aannemen, maar uiteindelijk besloot ik toch met haar te praten.

Dat bleek algauw een dwaze beslissing. Ze vuurde meteen een vragenpeleton op me af. En ze gaf advies. “Goed bedoeld,” benadrukte ze.

Ik zou de hele situatie moeten relativeren. Er kon toch over gepraat worden. We waren tenslotte beschaafde mensen. Waarom wou ik Radts eigenlijk geen eerlijke kans geven? Hij was de slechtste toch nog niet? Waarom deed ik alsof ik ziek was, alsof hij me ik-weet-niet-wat had aangedaan? Zo erg was het toch allemaal niet?

Het telefoongesprek duurde een ellendige achtenveertig minuten en werd bruusk beëindigd toen ik de hoorn neersmeet en hysterisch begon te huilen.

Was het uit gewetenswroeging dat Agnes me twee dagen later dat fantastische verjaardagsgeschenk (een schreeuwlelijke fluorescerende sleutelhanger, of all things) en een bezorgde brief stuurde? Of was ze bang dat Radts haar ook eens ging aanpakken als zou blijken dat ze er niet in geslaagd was mij om te praten? Was dit een laatste wanhoopspoging om me alsnog te vermurwen?

Haar redenen interesseerden me niet. Haar rommel evenmin; die verdween zonder meer in de vuilnisbak.

In leuker nieuws besloten mijn ouders en ik een puppy te adopteren, een ruwharige Fox Terrier die de naam Trixi kreeg.

We wilden al langer een hond en nu ik toch heel der dagen alleen thuis was en dat ongetwijfeld nog wel een hele tijd zou blijven, leek het juiste moment aangebroken.

Ook hoopte men dat dat diertje me wat zou opvrolijken en me voldoende redenen en vooral de moed zou geven om te gaan wandelen.

Ik was inmiddels doodsbang om buiten te komen. Of beter gezegd: ik had schrik om op straat toevallig geconfronteerd te worden met iemand van die school of met mijn voormalig huisarts of zelfs met mij bekende mensen in het algemeen want de pijnlijke vragen waren nooit ver weg.

We schrijven ondertussen einde maart.

De Haes was ziedend. Drie keer in één week had Tildemans hem opgebeld met altijd dezelfde vragen. Waar verstopte ik me? Wanneer kwam ik weer terug? Moest dit echt blijven duren? Wat hoopte hij te bereiken? Geloofde hij me werkelijk?

De Haes wees Tildemans telkens op zijn zwijgplicht (de vertrouwensrelatie dokter-patiënt die mijn ex-huisarts met regelmaat en zonder enige schroom geschonden had, weet u wel…) en drukte haar steeds weer op het hart dat het zinloos was hem te blijven contacteren.

Uiteindelijk drong dit dan toch tot haar door.

Begin april. Operatie Agnes Heytens was op een sisser uitgelopen. Radts schakelde dan maar over op groffer geschut.

Marina De Raef was de klastitularis van het andere zesde jaar en tevens mijn lerares Engels. Met de hulp van Tildemans wist Radts haar van zijn goede bedoelingen te overtuigen.

Ze koos een zonnige zondagochtend, rond een uur of elf, om toe te slaan.

Na lang aandringen bij mijn vader, die na het Heytens-incident erg sceptisch — maar helaas net niet sceptisch genoeg — geworden was, kreeg ze me dan toch aan de lijn.

Ze zette er meteen de beuk in. Ze vroeg niet hoe het met me was. Dat interesseerde haar niet. Ik moest en zou stande pede terug naar school komen. Alleen daar ging het om.

“Nog maar een paar maanden en je hebt je diploma. Meneer Radts zal het je nu echt niet lastig meer maken. Kan je daar nu niet als een volwassene over praten? Kom nu! Wat heeft men je allemaal wijsgemaakt? Ik geloof niet dat die psychiater je goed doet. Moet je ook pillen nemen?”

Ik antwoordde niet, ik was te erg geschrokken om überhaupt iets te zeggen, maar anderzijds wachtte ze ook niet op een antwoord.

“Stop dan in godsnaam met die pillen en kom terug naar school. Je diploma hangt aan een zijden draadje, besef je dat wel? Als jij en Radts allebei wat water bij de wijn doen moet alles toch in orde komen! Komaan, stel je niet zo aan. Iedereen lacht met je hoor, ze zijn allemaal aan het lachen en aan het roddelen en hoe langer je wegblijft, hoe erger dat wordt! Lig toch niet altijd zo dwars.”

Ik was boos, ontgoocheld, triest en wanhopig. De huilbui die me overviel kon ik niet tegenhouden. Ik duwde de telefoonhoorn in mijn vaders richting en rende de kamer uit.

’s Anderendaags kocht papa een antwoordapparaat. Dit zou dag en nacht opstaan en gedurende de daaropvolgende weken welgeteld honderdachttien ophang-telefoontjes registreren.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.