Goede Bedoelingen Deel 8: Het Zesde Middelbaar.

Met een bang hart keerde ik op vier september naar school terug.

Ik probeerde moed te putten uit de gedachte dat, wat er ook gebeuren zou, dit sowieso mijn laatste jaar zou zijn. Daarna hoefde ik niemand van die directie, leerkrachten of klasgenoten ooit nog terug te zien; daarna zouden ze me nooit meer pijn doen.

Misschien lag het voor de hand dat Radts onze klastitularis was. De zesde Latijnse werd door sommigen tenslotte als een soort ‘prestige klasje’ beschouwd; vermoedelijk achtte hij zichzelf de uitgelezen kandidaat.

Zijn aanstelling werd op gemengde reacties onthaald. Een paar klasgenoten konden zijn manier van lesgeven wel smaken, of beter gezegd: ze apprecieerden de manier waarop hij een heel uur vol lulde en daarbij alles wat nog maar in de verste verte op leerstof leek op een veilige afstand hield.

Anderen ergerden zich al bij voorbaat.

Ik voelde me vooral ongemakkelijk. Ik mocht mijnheer Radts niet. Ik gruwelde van die man én van het idee dat ik hem voortaan als leerkracht Duits, leerkracht Nederlands en dan ook nog eens als klastitularis zou hebben.

Zijn introductie die eerste schooldag was al meteen een voorsmaakje van wat me dat jaar te wachten stond.

Hij wou vooral een vriend zijn voor zijn leerlingen, zo luidde het. Hij ging prat op een goede verstandhouding, een vertrouwensband.

Om te beginnen moesten we elkaar wat beter leren kennen. Hij polste naar onze sterrentekens, gezinssituatie, stelde vragen over het beroep en de verloning van onze ouders en wou weten wie er een condoom gebruikte.

Hij had ook een mededeling. Op 12 september was er na de schooluren een kleine excursie gepland. We zouden met zijn allen de bus nemen naar Tongeren om daar een toneelopvoering van De Beatrijs bij te wonen. De hele klas werd vriendelijk verzocht hierbij aanwezig te zijn — of anders…

De manier waarop hij me toen aankeek gaf me een onheilspellend voorgevoel.

Terecht, zo zou reeds de volgende dag blijken.

De les Nederlands begon met twee vragen: wie ging mee naar “De Beatrijs” en wie werkte graag in groepjes?

Tweemaal gaf ik een voor hem negatief antwoord. “Dan behoor jij ongetwijfeld tot de categorie van de smerige individualistjes!” kreeg ik te horen. “Ach ja, die houden het bij mij toch nooit lang uit.”

Uiteraard veroorzaakte zijn reactie de nodige hilariteit bij mijn klasgenoten.

Zij en ik waren ondertussen al wat ouder — zeventien, bijna achttien. Ik had gehoopt dat dit zou betekenen dat de meeste van mijn medeleerlingen inmiddels een eigen leven en andere interesses hadden opgebouwd, druk bezig waren met het plannen van verdere studies, een relatie begonnen waren… Kortom, dat ze misschien wat minder aandacht zouden besteden aan dat rare stille meisje uiterst links op de tweede rij.

Maar helaas, er was niets veranderd.

Of toch?

Om onduidelijke redenen werd ik door een medeleerling benaderd. Hij had begrepen dat ik graag Stephen King in originele Engelstalige versie las en wou een paar van mijn boeken lenen. In ruil zou ik van hem wat Nederlandse vertalingen in bruikleen krijgen.

Ik heb hem dan wat boeken uitgeleend, maar kan me niet herinneren dat ik zijn vertaalde versies gelezen heb; ik hield immers niet zo van vertalingen.

Wat die klasgenoot eigenlijk van plan was, is me trouwens nog steeds een raadsel, maar ik kan me moeilijk voorstellen dat het hem daadwerkelijk om die boeken te doen was. Of om mij, want ik was echt niet het type persoon met wie iemand bevriend wou zijn. Ik vermoed dat het eerder om een weddenschap of iets dergelijks ging.

Hoe dan ook, als enige van de klas was ik afwezig bij “De Beatrijs”. De dans ontsprongen, zoals dat heet.

Of toch die dans…

Nog geen twee weken later, de drieëntwintigste september, kondigde Radts aan dat hij met de klas wou gaan bowlen. Uiteraard na de schooluren. Ergens in Mechelen aan het station. Eind november.

Ik was om de gekende redenen niet van plan om aan die activiteit deel te nemen.

Dit beviel Radts absoluut niet. Twee weken later besloot hij me er dan ook, en plein publique, eens grondig over aan te pakken.

“Bowl jij niet graag?” Vroeg hij spottend in het midden van de les Nederlands. Daarmee had hij natuurlijk onmiddellijk een hoop lachers op zijn hand.

“Nee,” antwoordde ik zo rustig en zo neutraal mogelijk. Volgens mij waren de echte redenen hem trouwens wel bekend. Ik kan niet geloven dat in zo’n betrekkelijk kleine schoolgemeenschap de leerkrachten niet perfect op de hoogte waren van de nooit aflatende pesterijen die éénzelfde leerling al jaren had moeten ondergaan.

“Tja,” repliceerde hij droogjes, “als jij niet gaat bowlen, gaat niemand bowlen, en dan zal ik daar mijn conclusies uit trekken omtrent jullie sociale vaardigheden. De punten voor Dagelijks Werk zullen ook navenant zijn”

Hierop haalden de lachers hun spreekwoordelijke rieken boven en zo was de hele klas meteen tegen mij opgezet.

Die avond kwam ik hysterisch thuis.

Mijn vader besloot de volgende ochtend eens met de heer Radts te gaan praten.

Papa’s moeite was echter tevergeefs.

Radts’ houding jegens mij ging van kwaad naar erger, zeker toen ik ondanks alle spot en dreigementen toch niet mee ging bowlen.

Niet alleen mijn vermeend asociaal-zijn kaartte hij geregeld aan in zijn lessen, ook mijn taalvaardigheid was kop van jut.

Toen ik me in een tekst het woord ‘hypocrieten’ liet ontvallen vroeg hij in een volle klas waarom ik altijd zo geleerd moest doen en moeilijke woorden gebruikte.

In een les Duits werd me verweten dat ik de Konjunktiv 2 onmogelijk al kon kennen.

Na diezelfde les kwam hij trouwens ook naar me toe. Nadrukkelijk op mijn lessenaar leunend, gebood hij me mee te komen naar de leraarskamer. Hij wou onder vier ogen een babbeltje met me slaan, bespreken hoe het nu verder moest. Het was net middag. Lunchpauze. Ik wou in geen geval alleen zijn met die man en ik zag niet in hoe een dergelijk gesprek, als een gesprek al zijn bedoeling was, voor mij een gunstig einde zou kunnen hebben. Ik zei dat ik meteen naar huis moest, dat mijn moeder op mij wachtte.

Er zou geen tweede uitnodiging komen.

Wel een bom. Die veel een paar weken later.

Na “De Beatrijs” en het bowling avontuur volgde er eind januari een driedaagse bezinning. Tijdens de schooluren. Een verplichte driedaagse bezinning, benadrukte Radts met een venijnige, triomfantelijke blik in mijn richting.

Mijn hart klopte in mijn keel. Drie dagen en twee nachten met Radts en vierentwintig klasgenoten die me al jaren actief haatten en ongetwijfeld al lang wachtten op de ideale gelegenheid om mij eens duchtig te grazen te nemen. Wat hij daar voorstelde zou mijn dood worden, misschien zelfs letterlijk.

De uitnodigingen werden rondgedeeld. De strookjes die de ouders ter toestemming moesten invullen en ondertekenen zouden vóór de daaropvolgende vrijdag moeten afgegeven worden.

Mijn strookje liet wat langer op zich wachten…

Radts, intussen, zat niet stil.

Op 3 december wandelde ik ’s middags naar buiten. Ik maakte mijn fietsslot los, hoorde een raar geluid en keek op. Een ziedende Erik Radts stond voor mijn neus. Hij greep het stuur van mijn fiets stevig vast en brieste: “Als jij alle bruggen van communicatie opblaast, kan ik je niet beoordelen. Ik hoop dat je dat beseft en bereid bent daar de gevolgen van te dragen.”

Voor ik iets kon terugzeggen — al zou ik zelfs nu niet weten wat dat dan wel had moeten zijn — stevende hij weer richting schoolgebouw.

Met bevende handen fietste ik naar huis.

*

Hoe had ik mijn examenperiode doorgeworsteld? Wat had me in gang gehouden? Hoe, zou zo later blijken, was het me toch gelukt om geen enkele onvoldoende en zelfs een 9 voor wiskunde te scoren? Ik wist het niet.

Na de laatste toets stortte ik voor de eerste keer helemaal in. Mijn toenmalig huisarts schreef naar gewoonte pillen voor en gaf me een week vrij. De rust was welkom, maar de Victan-tabletten bleven onaangeroerd in hun verpakking.

De kerstvakantie die volgde was een absolute hel.

Angstaanvallen en nachtmerries waren niets nieuws, urenlange huilbuien ook niet, maar ze overvielen me wel veel heftiger en frequenter dan ooit tevoren.

Mijn eetlust, daarentegen, was volledig verdwenen. Tot rust komen lukte ook niet. En ik was bang — altijd zo verschrikkelijk bang.

De eerste schooldag van het nieuwe jaar bleef ik thuis. Ik had buikpijn, was misselijk, duizelig… Kortom, een wrak.

De huisarts werd gebeld. Zijn spottende blik toen mijn moeder vertelde wat er aan de hand was vergeet ik nooit. De tirade die volgde evenmin.

Er was altijd wel iets mis met mij, bitste hij. Ik had een goede vent nodig, zou eens flink van bil moeten gaan, dan zou ik me wel beter voelen. Als hij wat jonger was zou hij wel met mij willen, voegde hij eraan toe, en in mijn klas zaten er zeker ook wel jongens die geïnteresseerd zouden zijn. Maar ik nam mezelf veel te ernstig, moest altijd interessant doen en in het middelpunt van de belangstelling staan. Ik mankeerde niets, benadrukte hij. De volgende dag mocht ik gewoon naar school.

Gewoon. Naar. School.

Ik begon hysterisch te huilen en kreeg het gevoel dat ik elk moment zou kunnen stikken.

Mijn moeder vroeg — smeekte — de huisarts om toch iets te doen. Dit kon toch zo niet verder gaan?

Uiteindelijk beloofde hij met Tildemans te zullen gaan praten.

Het resultaat van dat gesprek kan ik het best omschrijven als een duivelspact.

Tildemans verklaarde zich bereid om in te grijpen, om Radts’ intimidatie aan banden te leggen, maar dan verwachtte ze wel een wederdienst van mij.

Als ik braaf mee op bezinning ging, garandeerde ze dat Radts me voor de rest van het schooljaar met rust zou laten. Als ik daarentegen thuisbleef, niet alleen zou Radts dan volharden in de boosheid, maar mijn diploma zou ik wel kunnen vergeten.

Alleen onder die voorwaarde wilde Tildemans helpen. Bovendien was er nog een kleine clausule: mijn huisarts zou dat schooljaar geen ziektebriefjes meer voor mij voorzien. Ik was tenslotte niet ziek. Ik wou gewoon tegendraads — moeilijk — doen. Ze zouden mij wel temmen.

*

We schrijven 17 januari. Het vierde lesuur.

Radts was aan het woord. Enthousiast praatte hij over de bezinning, zijn grootse plannen, zijn vurige wens een hechte groep te vormen, vriendschapsbanden voor het leven te smeden.

Dan gaf hij het woord aan zijn publiek. Het rijtje afgaand, mochten de leerlingen zeggen wat ze van de bezinning verwachtten. Ik kwam als laatste aan de beurt, maar mijn mening vroeg hij niet.

Het gerinkel van de lunchbel was zoals altijd een verlossing. Radts verliet het lokaal. Ik pakte mijn boeken in. Dan kwam Krista binnen. Zij werkte op het secretariaat van de school. Ze wou weten waarom ik het strookje voor de bezinningsuitstap nog steeds niet binnengebracht had. De directrice had gezegd dat ik het vandaag nog zou moeten binnenbrengen. Nogmaals werd ik eraan herinnerd dat de bezinning verplicht was. Als het strookje straks nog steeds niet in hun bezit was, zouden er zware sancties volgen.

Ik haalde diep adem, nam mijn boekentas, deed mijn jas aan en stapte naar mijn fiets. Ik wist het toen nog niet, maar men zou me op die school nooit meer terugzien.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

Goede Bedoelingen Deel 7: Het Colchester Intermezzo.

Ware het niet voor Radts, had de zomervakantie tussen mijn vijfde en mijn zesde middelbaar wellicht een keerpunt kunnen zijn.

Om te beginnen werden alle psychofarmaceutica uit mijn leven verbannen. De volledige pillenvoorraad verdween in de vuilnisbak.

Later zou ik vaak horen (en vooral lezen) dat plots stoppen met dergelijke medicijnen ernstige neveneffecten en lelijke ontwenningsverschijnselen met zich mee kan brengen, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik daar zelf nooit iets van ervaren heb.

Natuurlijk mogen we niet vergeten dat ik me toen al jaren — ook fysiek — hondsberoerd voelde. Een vervelend symptoom meer of minder deed er niet toe.

Hoe dan ook, eens die ellendige pillen mijn systeem verlieten, werd mijn geest eindelijk weer wat helder.

Eind augustus zou ik vier herexamens moeten afleggen. Vol goede moed stortte ik me op de boekenberg.

Voor het eerst sinds… dat moet wel het vijfde leerjaar geweest zijn, kon ik probleemloos leerstof verwerken. Ik begon het studeren zelfs weer leuk te vinden.

Die zomer was er de gebruikelijke uitstap naar Engeland. Dit keer was de bestemming Colchester.

Hoewel ik heel goed wist dat op school alles bij het oude zou blijven — en thuis eveneens: aan de pest-telefoontjes leek maar geen einde te komen — voelde ik me tijdens die reis toch stukken rustiger dan in vorige zomers.

De angst en de onzekerheid waren er uiteraard nog, de zelfhaat eveneens, meer dan ooit, maar toch probeerde ik dat ene schooljaar dat me nog te wachten stond zo nuchter mogelijk te benaderen: wat nog gebeuren zou, zou maar gebeuren, binnen een paar maanden was het toch allemaal voorbij. Dan zou ik eindelijk van al die kwelduivels verlost zijn, eindelijk vrij zijn.

Waar ik in vorige jaren nog had geprobeerd — dikwijls tegen beter weten in — om vriendschappen op te bouwen met klasgenoten, besloot ik in het zesde geen moeite meer te zullen doen.

De paar meisjes die in het middelbaar heel even met mij omgingen, deden dat toch alleen maar omdat ze mijn hulp nodig hadden bij een taalvak, mijn spullen wilden lenen (muziek, boeken, videocassettes, in één geval zelfs een roze trainingspak…) of omdat hun hartsvriendin hen tijdelijk gedumpt had en ik heel even een acceptabel alternatief was.

Heel even maar, natuurlijk. Dergelijke ‘vriendschappen’ waren nooit een lang leven beschoren, al helemaal niet wanneer Marlies, Trees en Sien zich met de zaak gingen bemoeien. Wie met mij omging kreeg van hen ook een flinke veeg uit de pest-pan, dus uiteindelijk haakte iedereen wel weer af.

Mijn grootste voornemen die zomer was dat ik me in mijn laatste jaar — en ze konden er prat op gaan dat het daar inderdaad mijn állerlaatste jaar zou zijn ‐ enkel en alleen op mijn studies zou toeleggen. Mijn klasgenoten zou ik zo goed ik kon negeren, wat ze ook uitspookten.

Nu mijn concentratiestoornissen zo goed als opgelost waren, hoopte ik dat de leerkrachten me toch al wat meer met rust zouden laten. Met cijfers die consequent goed waren — of naar ik hoopte: zouden zijn — rekende ik op minder verwijten en hopelijk ook niet steeds die opmerkingen over asociaal-zijn en ‘loskomen’; al zou ik de would-be psychologen van de bende natuurlijk nooit helemaal het zwijgen kunnen opleggen, hoeveel tienen ik ook scoorde.

Maar er zou in elk geval verbetering zijn. Dat moest. Daar rekende ik op.

Het was een warme, zonnige zomer en een fijne reis. We winkelden, bezochten musea, marktjes en kasteelruïnes.

Ik ging ook naar Dick Tracy kijken. Het was de eerste keer dat ik alleen naar de film ging en ook de eerste keer dat ik een bioscoopzaal betrad sinds ik op heel jonge leeftijd met mijn vader E.T. had gezien.

Het bovenstaande klinkt ongetwijfeld een beetje banaal, maar voor iemand met sociale fobie — zeg maar gerust mensenangst — was dat toch wel een grote stap. Al had ik in Engeland altijd wel wat meer zelfvertrouwen dan op Vlaamse bodem. De kans dat ik daar één van mijn agressors tegen het lijf zou lopen was ook aanzienlijk kleiner.

Veel volk had ik trouwens ook niet moeten vrezen die namiddag, want waarschijnlijk omdat het een vroege vertoning was op een weekdag, zat ik helemaal alleen in de zaal.

Die zomer heb ik ook enorm veel gelezen: een dikke stapel Stephen King boeken en een hele reeks werken over astrologie en aanverwante onderwerpen; vooral die van Linda Goodman boeiden me.

Mijn eetgewoonten zijn in die periode ook flink veranderd. Tussen mijn twaalfde en mijn zestiende at ik kilo’s ontbijtgranen met volle melk en suiker — als ontbijt, als tussendoortje, als dessert, soms zelfs zomaar in het holst van de nacht omdat ik er trek in had. Ik leek wel verslaafd aan Kellogg’s.

Destijds stond ik er niet bij stil, maar achteraf bekeken vermoed ik dat dit toch een teken aan de wand was, een symptoom van mijn coeliakie en voedselintoleranties, dat ik maar niet genoeg kreeg van die rommel.

Zoals ik eerder al schreef, mijn toenmalig huisarts heeft mijn spijsverteringsproblemen nooit onderzocht en ik was ook niet meteen geneigd ze met hem te bespreken; hij zou mijn klachten toch maar weggelachen hebben of hij had ze bij op de psychosomatische vuilnisbelt gekieperd.

Wat er ook van zij, toen ik cornflakes en consoorten inruilde voor tarwevrije pumpernickel en rijstwafels, werden mijn buikklachten merkelijk minder. Ik had ook nog maar zelden honger tussen de maaltijden door en al helemaal niet meer ’s nachts.

Ook dat jaar slaagde ik voor mijn herexamens.

Bang maar vastberaden trok ik begin september weer naar school.

Daar zakte mijn weldoordacht strijdplan nog geen uur later als een kaartenhuisje in elkaar. Alle hoop op beterschap spatte aan diggelen. Radts was mijn nieuwe klastitularis.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

Goede Bedoelingen Deel 6: Het Vijfde Middelbaar.

Er bestaan mensen die zo intelligent, grappig en charismatisch zijn dat iedereen hen op handen draagt.

Er lopen eveneens personen rond die denken dat ze zo fantastisch zijn dat de hele wereld aan hun voeten ligt.

Dhr Radts behoorde tot de tweede categorie.

Zijn manier van voor de klas staan — het lijkt me onjuist om hier over ‘lesgeven’ te spreken; van één aflevering “Pusteblume” leerde ik als kind meer Duits dan in dat hele jaar bij hem — kan ik het beste omschrijven als een mislukte combinatie van André Buys en Jan Hautekiet in zijn “dat gaat niet dóór, dat vindt plaats” dagen bij Studio Brussel.

Ongetwijfeld beschouwde Radts zichzelf als een hele vlotte jongen.

Het tegendeel was waar. Zijn poging tot humor was óf tenenkrullend flauw óf gemeen, vulgair en kwetsend.

Platvloerse opmerkingen waren schering en inslag.

“Je kijkt me aan alsof ik net een aanslag heb gepleegd op je maagdelijkheid” vond hij een gepaste reactie toen een leerlinge een vraag eens niet goed begrepen had.

Ik was niet het meisje in kwestie, maar die opmerking is me omwille van het hoge walg-gehalte wel altijd bijgebleven. Plots was mijn toenmalig huisarts niet langer de enige in mijn leven wiens gedachtengoed aan een open riool herinnerde.

Dat leerlingen vernederen of de showman uithangen hem beter lag dan lesgeven mocht ook blijken uit het feit dat we ons twee maanden lang onledig hebben gehouden met het foute Eurovisie-nummer “Lass die Sonne in dein Herz“. Eerst moest de songtekst ingestudeerd worden en dan mochten we dat lied ook nog eens zingen op de opendeurdag.

Bij dat ‘Sonne’ verhaal hoorde trouwens een klasmoment waarin Radts wou toetsen wie van de leerlingen goed kon zingen en wie helemaal niet.

Het was ongetwijfeld een grote teleurstelling voor mijn klasgenoten en vermoedelijk ook voor hem dat wanneer ik aan de beurt was, mijn strofes er zuiver en zonder haperen uitkwamen. Die jaren zangkoor waren dus nog ergens goed voor geweest.

Maar hiermee heb ik nog niet alle aspecten van mijn nieuwe leraar Duits belicht.

Behalve lolbroek, cabaretier en Professor In Alles (© Jef Nys) waande hij zich ook de opvolger van Sigmund Freud.

Ik had slechts twee uur Duits per week — wat ruimschoots volstond in die omstandigheden, geloof me — en durfde zelden van me te laten horen in de les, maar toch meende hij me voldoende te kennen om mijn tussentijdse rapporten te vullen met pseudo-psycho-analytische opmerkingen.

“Heel voorzichtig kom je wat open. Weet je dat dat héél belangrijk voor je is? Volhouden dus!”

“Zo lang je je weigert aan te passen, zul je daar de problemen van blijven ervaren!”

En het pareltje waaraan ‘Goede Bedoelingen’ zijn titel te danken had:

“Wij bedoelen het goed, geef jij eens wat in ruil!”

Over mijn uitstekende resultaten voor zijn vak zweeg hij in alle talen, ook het Duits.

In het vijfde middelbaar ervaarde ik Radts als een dégoutant, opdringerig individu. Dat hij in het zesde een reële bedreiging zou vormen voor mij, daar had ik toen nog geen flauw benul van.

Wat me wel zorgen baarde was de steeds toenemende creativiteit van mijn klasgenoten.

Op een dag was mijn huissleutel zoek. Eerst vreesde ik dat ik hem verloren gelegd had — ik was nog steeds zwaar aan de pillen, met de gekende verwardheid tot gevolg — maar de volgende dag dook hij weer op. In onze brievenbus of all places.

Mijn vader had ondertussen het slot van de voordeur al veranderd en gelukkig was hij op de dag dat de sleutel verdween vroeger thuis zodat hij mij kon binnenlaten.

Erg zorgwekkend, ook in die periode, was mijn rampzalig eigenbeeld. Elke dag worstelde ik met zelfhaat en schuldgevoelens. Het liefst van al wou ik eigenlijk helemaal niet meer bestaan.

Op een middag werd ik voor de deur van mijn ouderlijk huis van mijn fiets gemaaid. Een grijze Audi raasde door de residentiële wijk en kon niet tijdig remmen. Na een flinke scheldpartij aan mijn adres, koos de bestuurder het hazepad. Ik was gelukkig niet gewond, enkel flink geschrokken.

Die avond legde ik samen met mijn ouders klacht neer bij de politie. Tot drie keer toe moest de agente van dienst mij ervan proberen te overtuigen dat het ongeluk écht niet mijn schuld was geweest.

De klacht zou een paar maanden later geseponeerd worden. Er was geen schade aan het betrokken voertuig. Vermoedelijk daarom heeft men de chauffeur nooit kunnen identificeren.

Al dan niet geïnspireerd door Radts, besloten een paar andere leerkrachten dat jaar ook psycholoogje te spelen.

Erg markant waren onder meer de opmerkingen van Martha Smets, lerares geschiedenis en esthetica en (toevallig of niet) ook Radts’ toenmalige echtgenote. Naar verluidt zouden ze inmiddels gescheiden zijn en als dat inderdaad zo is, ben ik oprecht blij voor haar.

Hoe dan ook, dat schooljaar was er in het kader van de leerstof geschiedenis een reisje naar Keulen. Mij leek het geen goed plan, en dan druk ik me nog erg zacht uit, om drie dagen en twee nachten door te brengen in het gezelschap van een groep die mij actief haatte en steeds nieuwe manieren vond om me de duivel aan te doen.

Ik bleef dus thuis.

Achteraf zou Smets me dat meermaals verwijten, ook in de opmerkingen op mijn rapport.

“Spijtig dat je niet mee naar Keulen was. Het zou je goed hebben gedaan voor de integratie in de klasgroep.”

Gelukkig heb ik dat pas gelezen toen ik al thuis was — ervaring had me geleerd om rapporten nooit in het bijzijn van derden en al helemaal niet binnen oogbereik van mijn klasgenoten te bekijken — want ik denk dat ik zowat de pannen van het dak gevloekt moet hebben.

Bijna vijf jaar lang had ik mijn uiterste best en zelfs meer gedaan om toch maar aanvaard te worden door mijn klasgenoten. Keer op keer had ik geprobeerd te vergeten en te vergeven en zelfs de grootste pesters alsmaar nieuwe kansen te geven.

Maar het was allemaal voor niets geweest. Die klasgroep wou mij gewoon niet, zo eenvoudig was het. Ik was persona non grata. Zonder meer. Voor altijd. Van integreren kon geen sprake zijn.

Op een vrijdagavond, een paar weken voor het Keulen-reisje werd aangekondigd, zou er bij Marlien thuis een tuinfeestje gehouden worden. Met veel flair kondigde ze aan dat de hele klas uitgenodigd was, behalve ik. Voor alle duidelijkheid schreef ze dat ook op het bord: mij naam met daaronder in rood krijt in koeien van letters ‘NIET WELKOM!’.

Verwachtte Smets nu echt dat ik nog een paar jaar als een geslagen puppy zou smeken om de goedkeuring en vriendschap van mensen die me alleen maar meer pijn zouden doen?

Aan de reis naar Rome, tijdens de krokusvakantie, nam ik uit zelfbehoud evenmin deel. Ook dit viel niet in goede aarde. Dit keer was het De Herdt, de lerares Latijn dus, die wederom erg boos op mij was. “Jij wil er gewoon niet bijhoren!” snauwde ze.

In een zoveelste poging om ondanks de concentratiestoornissen toch nog wat leerstof verwerkt te krijgen, nam ik in het vijfde jaar een kleine cassette-recorder op batterijen mee naar school. Dan zou ik de lessen thuis rustig kunnen herbeluisteren.

In theorie leek dat een goed idee, maar in de praktijk maakte het niet veel verschil. Ik kon de cassettes achteraf amper aanhoren. Het gelach en gekwetter van mijn klasgenoten overstemde alles.

Dat jaar kreeg ik wel hulp van een nonkel die ooit ook ‘Klassieke Talen’ gestudeerd had en daar nog steeds een kei in was. Ik had het enkel en alleen aan hem te danken dat ik dat jaar een tweede herexamen Latijn en nog meer vitriool van De Herdt wist te vermijden.

Helaas had ik niet voor elk vak een hulpvaardige nonkel. Wederom mocht ik een schooljaar afsluiten met een paar herkansingen, vier dit keer.

Toen ik dat vernam was voor mij de maat vol. Zolang ik die pillen bleef slikken, zouden mijn cijfers ondermaats blijven, tenzij voor de vakken waarvoor ik bij wijze van spreken zelfs al slapend had kunnen slagen. Een jaar overdoen zag ik echt niet zitten, zeker niet op die school, dus ik moest iets ondernemen.

Bij het begin van de zomervakantie, gooide ik al mijn psychofarmaceutica weg. Ik besloot eveneens dat als mijn toenmalig huisarts me er ooit nog nieuwe zou voorschrijven, die ook zonder meer in de vuilnisbak zouden verdwijnen.

Niets of niemand zou me beletten om de volgende zomer af te studeren.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

Ook nog dit: ik geef zelden het goede voorbeeld en in dit geval al helemaal niet. Dus voor de goede orde: op eigen houtje ‘cold turkey’ met bezodiazepines of andere psychofarmaceutica stoppen is niet erg verstandig en ik zou het ook niemand aanbevelen. Praat erover met uw arts.

Goede Bedoelingen Deel 5: Het Vierde Middelbaar.

Tijdens de zomervakantie na mijn derde middelbaar brachten mijn ouders en ik veertien dagen in Arundel door.

Wellicht is het ironisch hoeveel ik destijds nog van reizen hield, al was elke trip naar het buitenland eerder een noodzakelijke vlucht dan een recreatieve uitstap, maar toch…

De schaarse goede herinneringen die ik heb aan mijn tienerjaren speelden zich bijna zonder uitzondering af in Engeland.

Die zomer bezocht ik trouwens ook mijn eerste — en tot op heden enige — platenbeurs. In Brighton, om precies te zijn.

Ik was inmiddels een verknocht vinyl-verzamelaar. Vooral items van Kate Bush en Lene Lovich wisten me te bekoren. Ik was ook in de wolken toen ik die dag de “Wide Awake In Dreamland” picture disc LP van Pat Benatar op de kop kon tikken.

Al bij al, een zeer fijne vakantie.

Weer thuis, slaagde ik wonderwel met vlag en wimpel voor mijn herexamen wiskunde. Een enorme opluchting. Weer een stap dichter bij het einde van mijn glansloze schoolcarrière.

Intussen had ik alle hoop laten varen dat mijn leven op dat vlak ooit nog beter zou worden. Ik kon enkel mijn uiterste best doen om met zo weinig mogelijk bijkomende schade door die hel te spartelen.

Geen gemakkelijke opgave.

Zoals verwacht, was zuster Tildemans ziedend dat ik van mijn ouders niet langer door het PMS ‘begeleid’ mocht worden. Ze riep me de eerste schooldag meteen al bij haar op kantoor en besloot wat nog intact was gebleven van mijn psychisch welzijn onmiddellijk onder vuur te nemen.

Eerst en vooral werd mij een briefje met daarop de gegevens van een ‘Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg’ toegestopt.

Daarna stak ze van wal met het zoveelste vernietigende betoog.

De pesterijen waren allemaal mijn eigen schuld. Ik kreeg precies wat ik verdiende. Ik was lelijk. Ongewenst. Minderwaardig. Ik zou blij moeten zijn dat ik niet dagelijks gepest werd, dat er momenten waren waarop men mij met rust liet. Ik moest vooral ook beter mijn best doen om door mijn klasgenoten aanvaard te worden. Ik moest een goede vriendin voor hen zijn.

Naïef en vooral wanhopig, begon ik de huistaken Engels, Duits en Nederlands van een paar medeleerlingen te maken, hun opstellen te schrijven, de schriften van afwezigen bij te houden…

Als beloning zou Liliane De Herdt, mijn nieuwe lerares Latijn, met de drie grootste pesters praten. Of zo werd mij toch beloofd. Van een dergelijk gesprek heb ik echter nooit iets opgevangen, laat staan ooit enig resultaat kunnen zien.

Ik moest in die periode vaak terugdenken aan wat mijn klastitularis uit het tweede middelbaar — een al wat oudere zuster die biologie en aardrijkskunde onderwees — ooit op een ouderavond had gezegd: “Als er in de hogere jaren door de leerlingen gepest wordt, doen de leerkrachten gretig mee.”

Dat laatste begon ik aan den lijve te ondervinden. Wanneer Marlies, Trees en Sien me weer eens uitlachten — en uiteraard hoorde daar ook nog steeds dat toffe deuntje bij — lachten sommige leerkrachten hartelijk mee of deden er zelfs nog een schepje of twee bovenop.

Een aantal van hen verweet me ook dat ik te stil was in de klas, te weinig actief betrokken bij het lesgebeuren.

Tja, als elk woord dat je waagt uit te spreken daarna als wapen tegen je gebruikt kan worden, is het dan niet beter om gewoon je mond te houden?

In het verleden had openlijk enthousiasme voor de leerstof me trouwens ook al de etiketten ‘strever’ en ‘seut’ opgeleverd. Nog een reden om zoveel mogelijk onder de radar te blijven: ik had écht niet de behoefte om de aandacht op mezelf te vestigen en zo een nieuwe trits pesterijen uit te lokken.

Ondertussen slikte ik nog steeds bergen pillen, was vaak afwezig wegens ziekte (de gekende buik- en luchtwegenperikelen) en mocht regelmatig ongepaste, perverse citaten van mijn toenmalig huisarts aanhoren.

De ‘zwijgtelefoontjes’ waren talrijker dan ooit.

Dat jaar verbleef mijn vader veel in het buitenland voor zijn werk. Dit betekende dat ik alleen thuis was tot mijn moeder arriveerde rond een uur of zeven. Vreemd genoeg leek mijn anonieme beller hiervan op de hoogte te zijn, want de tijdspanne waarbinnen er getelefoneerd werd was plots met een uur verlengd.

Schrijven en muziek bleven mijn enige lichtpuntjes.

Ik werkte aan mijn eerste verhaal. Veel zaaks was het niet (lachwekkend slecht, eerder), maar het zorgde wel voor afleiding.

Pennenvrienden had ik ook nog steeds. Van hen lag één in het bijzonder me erg nauw aan het hart, al bleef ik in mijn brieven aan hem wel verzwijgen wat er op school aan de hand was.

Ik schaamde me diep, namelijk, en ik was er — toen nog meer dan in het derde jaar — steevast van overtuigd dat ik alles wat me werd aangedaan alleen maar aan mezelf te danken had. Het emotioneel geweld was mijn straf, mijn verdiende loon voor mijn ‘raar-zijn’. Daar twijfelde ik niet aan.

Dat laatste was trouwens ook de voornaamste reden waarom ik tegen mijn ouders of wie dan ook niet durfde te beginnen over een andere school. Het was mijn eigen schuld dat ik gepest werd; de oorzaak lag bij mij, niet bij de anderen, dus elders zou die situatie niet beter zijn, misschien zelfs nog veel slechter… Better the devil you know than the devil you don’t, toch?

Mijn vierde jaar sloot ik af met twee herexamens: Latijn en Chemie.

Ellenlange woordenlijstjes en complexe grammatica instuderen, daar was mijn door benzodiazepines vertroebeld brein niet toe in staat en die formules voor chemie wilden er ook absoluut niet in.

De Herdt had zo haar eigen kijk op de slechte resultaten die ik voor haar vak had behaald. Mijn ‘onvoldoende’ was volgens haar simpelweg te wijten aan het feit dat ik niet studeerde, me helemaal niet inzette voor mijn schoolwerk.

“Is heel verstandig, maar al even lui.”

Het was frustrerend en vooral ook erg kwetsend om dat op mijn rapport te lezen. Blijkbaar waren de mensenkennis en het inlevingsvermogen van die dame al even dood als de taal die ze ons wou bijbrengen.

Het is waarschijnlijk ietwat overdreven (althans, dat hoop ik toch…) om te beweren dat vanaf het vierde jaar behalve de grote meerderheid van mijn medeleerlingen ook het voltallige lerarenkorps een bloedhekel aan me had, maar toch…

De enige van hen die dat jaar enige empathie toonde was Rik Leys, mijn leraar Duits.

Na een les kwam hij naar me toe en vroeg bezorgd of alles in orde was. Ongetwijfeld stond de ellende van een gemiddelde schooldag weer op mijn gezicht geschreven.

Heel even heb ik overwogen hem in vertrouwen te nemen, maar gelet op eerdere rotervaringen met zowat iedereen die me daar ooit hulp had aangeboden, heb ik dat dan toch maar niet gedaan. In de plaats daarvan mompelde ik “Ja” en maakte me snel uit de voeten met de smoes dat ik nog een taak voor Nederlands afgeven moest.

Was het een vergissing om hem niets te vertellen? Eerlijk gezegd, beste lezer, dat denk ik nog steeds niet.

Zelfs indien hij mij daadwerkelijk had willen helpen, had hij als enkeling bitter weinig kunnen ondernemen tegen de vijandige meute van de inrichtende macht, een tiental van zijn collega’s, een hele klas leerlingen en zelfs mijn eigen huisarts. Zo’n strijd zou al bij voorbaat verloren geweest zijn. Misschien had die hem zelfs zijn job gekost.

Of hij zou zich uiteindelijk uit zelfbehoud aan de kant van mijn agressors hebben geschaard en daarmee zou één van de weinige mensen die ik nog een beetje vertrouwde in die school me dan ook verraden hebben.

De zomervakantie betekende zoals altijd een broodnodige adempauze. Ik probeerde van elk moment te genieten, me er ten volle van bewust dat het komende schooljaar geen greintje beter zou zijn dan hetwelke ik net achter de rug had.

Ik vergiste me niet. De beproevingen van het vijfde middelbaar zouden die van het vierde zelfs sterk overtreffen. In het vijfde middelbaar zou ik immers voor het eerst kennismaken met Erik Radts.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

Goede Bedoelingen Deel 4: Het Derde Middelbaar.

Sus Lomens, PMS-medewerker, was eens te meer een schaamteloze leugenaar. Dát en al zijn andere kwaliteiten.

Mijn derde middelbaar herinner ik me als een kolkend, stinkend vat van ellende en chaos.

Er waren pillen. Op doktersvoorschrift. Steeds andere en altijd maar meer: Xanax, Librax, Victan, Loramet en Prozac. O ja, en ook nog een soort vitaminen; de naam ervan ontglipt me, maar het waren donkerbruine capsules met rode en groene cirkels op hun doosje.

Bepaalde gebeurtenissen heb ik verdrongen, ben ik bewust vergeten uit zelfbehoud, aldus de neuropsychiater bij wie ik later in therapie zou gaan. Elke dag was een slopend, oneerlijk gevecht, met als grootste verliezer zonder uitzondering ikzelf.

Maar Lomens dus…

In het verslag dat een paar jaar later aan mijn vader zou overgemaakt worden, vermeldde hij enerzijds faalangst (?!) en anderzijds dat ik zelf over het PMS zou begonnen zijn. Ik had op eigen houtje psychologische begeleiding gezocht, beweerde hij.

Niet dus. Absoluut niet. Hell to the N-O. In geen honderd jaar.

Op een dag was ik — niet voor de eerste keer, trouwens — wel naar de directrice gestapt in de hoop dat er toch eens eindelijk een einde zou komen aan de pesterijen.

Elke schooldag kreeg ik spot en scheldtirades over mij heen. Dreigementen ook. Men zou mij wel klein krijgen. Ook mijn kat Wally zou het moeten ontgelden. “Haar nek draaien we nog wel eens om,” riep een klasgenoot me toe. Zijn vrienden applaudisseerden goedkeurend.

Mijn huistaken verdwenen. Schriften werden besmeurd, leerboeken vernield. En uiteraard mocht ik ook regelmatig dat fijne liedje horen, over hoe de wereld toch zo goed, zoveel beter, zou zijn zonder mij.

’s Avonds thuis, waren er dan de telefoontjes. Doodse stilte en ‘klik’. Tot tien keer na mekaar. Tot ik uiteindelijk bang werd om nog oproepen te beantwoorden.

Dus ik ging met zuster Tildemans praten in de hoop dat er iets ondernomen zou worden.

Ijdele hoop, zo bleek algauw.

Mijn kwelduivels konden hun hatelijke activiteiten ongestoord verderzetten.

Ik, daarentegen, werd op een namiddag begin januari door diezelfde zuster met veel vertoon uit de godsdienstles gehaald. Glunderend verkondigde ze dat ik onmiddellijk met het PMS moest gaan praten.

De hele klas keek geboeid toe hoe ik schoorvoetend opstond. Marlien, Trees en Sien deden geen moeite om hun hoongelach te onderdrukken. Zij hadden weer gewonnen. Zoals altijd.

De godsdienstleerkracht stond erbij en keek de andere kant uit.

In Lomens’ verslag konden we lezen dat hij dat schooljaar zeven gesprekken had met mij.

Volgens mijn dagboek waren het er aanzienlijk meer. Elke dinsdagnamiddag gedurende meerdere maanden werd ik op dat kleine kantoortje ontboden.

Begrip vond ik daar niet, laat staan empathie of advies waar ik iets aan zou kunnen gehad hebben.

Verwijten hoorde ik des te meer.

Lomens beschikte blijkbaar al over een lijvig rapport, nota’s van Tildemans waarin uit de doeken werd gedaan wat voor een onmogelijk probleemkind ik volgens haar wel was.

Ik was te meegaand, veel te braaf en beleefd. Maar tegelijkertijd ook asociaal, arrogant en eigenwijs. Ik deed nooit wat van mij verwacht werd maar nam mijn schoolwerk toch veel te ernstig en wou bij iedereen op een goed blaadje staan. Ik keek neer op iedereen maar moest vooral meer zelfvertrouwen krijgen, assertiever worden en van me afbijten.

Bent u nog mee, beste lezer?

Ik kon althans niet meer volgen.

Over die faalangst die in Lomens’ verslag aan mijn ouders vermeld wordt is nooit met een woord gerept. Ze was dan ook een verzinsel geweest. Ik vreesde voor mijn veiligheid, misschien zelfs voor mijn leven. Van cijfers op een rapport of toekomstplannen lag ik niet wakker. Had ik eigenlijk überhaupt nog wel een toekomst onder die omstandigheden?

Lomens wist me trouwens wel te vertellen dat ik een grote last was voor mijn ouders. Zij hadden al genoeg beslommeringen in hun dagelijks leven en waren de extra problemen die ik veroorzaakte hartsgrondig beu. Ik zou er goed aan doen eens wat normaler te worden.

Ook Tildemans verweet me dat ik thuis ging klikken. Ik was te oud om steeds “bij mama en papa te gaan huilen” en als mijn medeleerlingen me niet konden luchten hadden ze daar ongetwijfeld een goede reden voor. Later, zo voegde ze er bits aan toe, als al mijn interpersoonlijke relaties zouden mislukken, zou ik wel inzien dat ze gelijk had.

Mijn schaamte en schuldgevoelens namen met de dag toe. Als Tildemans me op zekere dag vertelde dat ik, onder meer, een waardeloze persoon was, dacht ik er niet aan om daar nog maar een seconde aan te twijfelen. Ik was overbodig — ongewenst — nutteloos – onbeduidend – een waste of space – dat stond buiten kijf.

Thuis, ondertussen, zei ik steeds minder.

Wanneer mijn ouders me vroegen hoe het op school ging, verzon ik anecdotes over vrienden die helemaal mijn vrienden niet waren. In het derde jaar had ik geen vrienden meer, tenzij op papier. In de ‘echte’ wereld had iedereen zich tegen mij gekeerd.

Alleen de huilbuien op dinsdagavond, het directe gevolg van weer een fijn, constructief, gesprek met Lomens kon ik niet verstoppen. Dus daarover moest ik wel de waarheid vertellen, hoewel Tildemans me uitdrukkelijk verboden had mijn ouders in te lichten over mijn ‘therapie’ bij het PMS.

Ook in mijn derde middelbaar ging mijn fysieke gezondheid verder achteruit.

Mijn luchtwegen bleven me parten spelen.

Er waren plots ook darminfecties, waarvan het tot op heden niet duidelijk is of dat werkelijk infecties waren dan wel PDS of symptomen van toen nog niet gediagnosticeerde voedselintoleranties. Later zou ook blijken dat ik coeliakie heb.

Ik heb toen even overwogen om hulp te zoeken, maar mijn toenmalige huisarts klasseerde mijn klachten zonder meer onder de noemer ‘psychosomatisch’ en daarmee was de kous voor hem af. Ik moest maar een goed lief zoeken, “eens goed seksen (sic)”, dan zou ik wat vrolijker zijn, zo luidde het.

Eerlijk- en volledigheidshalve moet ik hier ook wel bijvertellen dat ik nooit heb aangedrongen bij hem wat die extra onderzoeken betrof. Ik walgde — gruwelde — intussen van die man. Ik wou me voor hem niet uitkleden en werd panisch bij de gedachte dat hij mijn blote buik zou aanraken.

Dus leerde ik maar leven met de pijn.

Alsook onderging ik gelaten de bijwerkingen van de vele pillen die me waren opgedrongen: concentratiestoornissen (nog ergere dan het jaar voorheen), slapeloosheid, evenwichtsstoornissen die me bijna van mijn fiets deden vallen en soms zelfs bizarre hallucinaties bovenop mijn slapeloosheid. Ooit lag ik om vier uur ’s morgens wakker en meende slangen over mijn plafond te zien glijden.

Over dat laatste durfde ik trouwens tegen niemand iets te zeggen. Meer en meer bekroop mij het akelige gevoel dat men mij wou opsluiten of op een andere manier laten verdwijnen.

Zonder mij was de wereld immers goed, niet waar?

Ondertussen probeerde ik te studeren en toch redelijke cijfers te behalen ondanks het verdriet, de angst, de kapotte concentratie en uiteraard ook de vele gesaboteerde en verdwenen huistaken die me telkens weer een nul opleverden.

Lezen en schrijven deed ik ook veel. Schrijven was nog steeds een beetje mijn ontsnappingsroute, het enige moment waarop ik mijn sterk voelde. Al mocht dat ook niet altijd zou zijn.

Bij het begin van het derde jaar gaf de leerkracht Nederlands ons de opdracht een origineel vakantieverhaal neer te pennen.

Geïnspireerd door het gelijknamige Kate Bush nummer, schreef ik Houdini.

Vermoedelijk had ik dat beter niet gedaan.

Eerst beschuldigde de leerkracht me ervan dat mijn verhaal onmogelijk van mijn eigen hand kon zijn. Nadat ik me met klem — én met gniffelende medeleerlingen op de achtergrond — had verdedigd, vroeg ze me om het dan maar voor te lezen voor de klas.

Dat kon natuurlijk nooit goed aflopen.

Bij de eerste zin begonnen mijn klasgenoten al luid en nadrukkelijk te lachen en ik denk dat ik het een paragraaf of twee heb volgehouden voor ik ter plekke ben ingestort en huilend weer naar mijn plaats gegaan.

Ook hier werd niet ingegrepen en al helemaal niemand gestraft.

Om mijn zinnen te verzetten, namen mijn ouders me dat schooljaar ook tijdens de herfstvakantie en het krokusverlof mee op reis.

De bestemming was zoals altijd Engeland; twee verblijven in Rochester (Kent) dit keer.

Die vakanties had ik dringend nodig.

Natuurlijk waren het maar korte adempauzes en zou ik uiteindelijk onvermijdelijk weer naar die schoolhel moeten terugkeren, maar in Rochester had ik toch even rust. Daar waren de mensen vriendelijk. Daar werd ik niet gepest, geïntimideerd, afgedreigd of uitgelachen. Daar belde niemand mij op. Kortom: daar mocht ik onbevreesd mezelf zijn.

Mijn derde middelbaar eindige met een herexamen wiskunde, maar ook met een sprankeltje hoop.

Om één of andere organisatorische reden vroeg men alle ouders voor de start van het vierde jaar de toestemming om de PMS-begeleiding van hun kind verder te kunnen zetten.

Mijn ouders hebben die toestemming categoriek geweigerd. Sus Lomens zou dus uit mijn leven verdwijnen.

Maar helaas, zijn kwaad was al geschied en ondertussen lagen er ook alweer nieuwe agressors op de loer…

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.